leidraad voor een scriptie

Schrijven is denken, plannen, organiseren en argumenteren, probleemstelling, literatuur, methode en conclusie

Stap 1. Kies een onderwerp voor je scriptie
Je scriptie begint met het kiezen van een goed onderwerp. Dit onderwerp is het thema van je scriptie en kun je in een paar woorden samenvatten. Helaas kun je het onderwerp van je scriptie niet onderzoeken omdat een onderwerp veel te breed is en geen richting geeft. Daar heb je een probleemstelling voor nodig.

Stap 2. Stel eisen aan je probleemstelling
Een goede probleemstelling voldoet aan 2 belangrijke eisen: specifiek en relevant. Met een vage of te brede probleemstelling wordt het schrijven van je scriptie onmogelijk omdat je geen richting hebt en te veel moet lezen en beschrijven. Daarnaast moet je onderzoek ook relevant (nuttig) zijn.

Stap 3. Maak je probleemstelling specifiek
Probeer je scriptie klein te houden want je kunt beter eerst te klein beginnen dan te groot. Veel scripties zijn te breed opgezet en worden dan te oppervlakkig. Maak je probleemstelling specifiek door de begrippen in je probleemstelling scherp te formuleren. Maak van medische missers bijvoorbeeld medisch missers met blijvend letsel. Dan hoef je minder dingen te onderzoeken en kun je eerder de diepte in.

Stap 4. Maak je probleemstelling relevant
Een goede probleemstelling is naast specifiek ook relevant. Je wilt je publiek immers iets nieuws vertellen. Om je probleemstelling relevant te maken stel je jezelf de vragen ‘nou en?’ en ‘wie geeft daarom?’

Stap 5. Formuleer je probleemstelling
Nu je je probleemstelling specifiek en relevant hebt gemaakt, is het tijd om je probleemstelling te formuleren. Maak een vraag van je probleemstelling door je probleemstelling te beginnen met woorden als ‘hoe’, ‘wat’, ‘waarom’, ‘wie’ of ‘wanneer’. Zorg ervoor dat je een open vraag formuleert en niet een gesloten vraag.

 

Het doel bepalen

Wat is het doel van je rapport, wat wil je bereiken? Hoe duidelijker je het doel voor ogen hebt, hoe zorgvuldiger je informatie kunt selecteren en hoe concreter en scherper je schrijft.

 

Informatie verzamelen

Start tijdens het onderzoek met het aanleggen van een bronnenlijst. Je hebt dan je geraadpleegde boeken en websites nog bij de hand. Achteraf opzoeken van de juiste titel of auteursnaam kost veel tijd. Daarnaast bestaat het risico dat je de bron niet meer terugvindt. Noteer waar je een citaat vandaan hebt gehaald en schrijf de gegevens van de bron op.

 

Informatie selecteren en ordenen

  • Het schrijfproces verloopt gemakkelijker wanneer je vooraf al grofweg bepaalt welke informatie je in je rapport wilt gebruiken. Slechts een gedeelte van wat je hebt bestudeerd, komt uiteindelijk in je rapport.
  • Vervolgens is het handig de informatie te ordenen. Hierdoor kun je tijdens het schrijven informatie snel terugvinden en voorkom je dat je weer die hele stapel boeken moet doorzoeken voor dat ene hoofdstuk. Het maken van een concept-hoofdstukindeling helpt je bij het sorteren van verschillende delen. Hetzelfde geldt voor de mapindeling op je pc; hoe beter je die ordent, hoe sneller je informatie terugvindt.
  • Probeer zo vroeg mogelijk een concept-inhoudsopgave te maken. Dit dwingt je namelijk na te denken over de opbouw van het rapport, hoeveel hoofdstukken je nodig hebt en hoe je de informatie over de hoofdstukken kunt verdelen. Het schrijven van het rapport is hierdoor gemakkelijker.

 

De lay-out

  • Bewaar afbeeldingen (illustraties, grafieken, tabellen, etc.) in een aparte map. Hierdoor voorkom je dat je gedurende het schrijven moet zoeken naar een geschikt plaatje. Probeer afbeeldingen op zo'n manier vast te leggen, dat ze geschikt zijn voor publicatie.
  • Bepaal het lettertype en de regelafstand van je rapport. Niets is vervelender dan op allerlaatste moment je rapport na te moeten lopen op tabs en spaties vanwege verandering van lettertype. Het is beter om van tevoren een lettertype te bepalen en een opmaakprofiel te kiezen.
  • Zorg voor een rustige, functionele vormgeving.

 

Beginnen met schrijven

Schrijf een eerste grove versie van je rapport. In de eerste versie zet je informatie op de juiste plaats. Je concentreert je dan met name op de opbouw van je verhaal.

  • Wees spaarzaam met lange zinnen. Je kunt beter veel korte zinnen gebruiken, dan alle informatie in een paar lange proppen. Probeer korte zinnen af te wisselen met langere.
  • Gebruik voorbeelden. Hierdoor maak je je tekst begrijpelijk en concreet.
  • Maak gebruik van opsommingen.
  • Citeer bronnen als je een stelling zelf niet beter kunt verwoorden dan de betreffende bron, of wanneer je bijvoorbeeld gebruikmaakt van statistieken. Achter het citaat moet je de bron vermelden. Wanneer je een boek of artikel hebt gebruikt, vermeld je de achternaam van de schrijver en het jaar van publicatie. Bijvoorbeeld: “Hogeweg, 2004”. In de bronnenlijst noteer je de volledige titelgegevens: “Hogeweg, R. (2004), Een goed rapport.” (APA)
  • Schrijf zoveel mogelijk in de actieve vorm: gebruik zo min mogelijk 'worden'.
  • Let op herhalingen. Niets is zo irritant om op een pagina tien keer hetzelfde woord te lezen. Je kunt dit voorkomen door het gebruik van synoniemen en verwijswoorden.
  • Strooi niet met bijvoeglijke naamwoorden: 'een enorme groei', 'een langdurige inspanning', 'een immense prestatie'. Als je niet uitlegt hoe groot de groei of inspanning precies is, roept een dergelijke omschrijving vragen op. Wees zo concreet mogelijk en kijk goed waar je in de tekst bijvoeglijke naamwoorden gebruikt.
  • Schrijf foutloos: geen typ- en spelfouten dus.
  • Tijdens het schrijven gebeurt het vaak dat je bepaalde informatie nog moet opzoeken. Markeer deze passages in je tekst.

 

Het begin van een rapport

Omslag
De omslag is het eerste wat de lezer ziet. Vandaar dat belangrijk is dat je hier veel aandacht aan besteedt. Kies een titel die goed de lading van het stuk dekt. Vermeld op de opslag de volgende punten:

  • titel
  • ondertitel (optioneel)
  • naam van de auteur
  • verschijningsdatum
  • opdrachtgever en instelling

Titelpagina
De tweede pagina van het rapport, de titelpagina, bevat meer informatie dan de omslag. Op de titelpagina vermeld je wederom de titel, de ondertitel (op identieke wijze als op de omslag) en de naam van de auteur. Je voegt vervolgens toe:

  • plaats en datum (of jaar) van uitgave
  • datum van verschijning
  • naam van de hogeschool
  • studentnummer

Voorwoord
In het voorwoord (geschreven in de ik-vorm) kun je informatie kwijt over:

  • hoe het rapport tot stand is gekomen
  • waarom je dit onderwerp hebt gekozen
  • dankbetuigingen aan specifieke personen en instellingen
  • besluit met de plaats, datum en je naam

Samenvatting
De samenvatting bestaat uit maximaal 2 pagina’s en is informatie. Een goede samenvatting bevat:

  • de context van het onderzoek
  • de hoofdvraag en doelstelling
  • de gebruikte methode
  • de resultaten
  • conclusies en aanbevelingen

Je kunt de samenvatting beschouwen als een combinatie van de inleiding en de conclusie, alleen dan in verkorte vorm.

Inhoudsopgave
De inhoudsopgave fungeert als 'routekaart'. Niet alleen moet de paginanummering kloppen, ook de onderverdeling in hoofdstukken moet logisch zijn zodat de lezer aan de hand van de titels meteen begrijpt waar hij bepaalde informatie kan vinden.
Let erop dat de titels in de inhoudsopgave overeenkomen met de titels bovenaan de hoofdstukken.
De volgende onderdelen krijgen geen hoofdstuknummer:

  • omslag
  • titelpagina
  • samenvatting
  • hoofdstukindeling
  • voorwoord
  • verklarende woordenlijst
  • (eventuele) opgave van figuren of tabellen
    Bijlagen worden apart genummerd, bv. B1, B2

Verklarende woordenlijst
Een verklarende woordenlijst neem je alleen in je rapport op wanneer dat nodig is of wanneer je regelmatig afkortingen gebruikt.

Inleiding
De inleiding fungeert ook als een routekaart voor de lezer; hier leg je uit wat de lezer kan verwachten. De inleiding moet antwoord geven op de vragen:

  • Wat is het onderwerp, hoe luidt de probleemstelling?
  • Waarom heb je dit rapport geschreven, wat is het doel en het belang van het stuk?
  • Wat is de werkwijze en hoe ziet de structuur van het rapport eruit?

Het middengedeelte
Het middengedeelte van een rapport bestaat uit de onderzoekaanpak met een innerlijke en uiterlijke structuur met begrijpelijke, interessante en bruikbare informatie in een aantal kernhoofdstukken en de conclusies en aanbevelingen.

Conclusies/aanbevelingen
Let op dat:

  • je beknopt, ondubbelzinnig en overzichtelijk antwoord geeft op de hoofdvraag.
  • je antwoord komt uit de informatie van de voorgaande hoofdstukken.
  • je geen nieuwe informatie verwerkt.
  • je je conclusies kernachtig verwoordt. Lezers moeten in één oogopslag kunnen zien wat de kernpunten zijn.
  • je geen verkorte versie van een voorgaand hoofdstuk weergeeft om de lezer een conclusie te laten trekken. Het is jouw taak om informatie te interpreteren en daar iets uit te concluderen.
  • je aanbevelingen uitvoerbaar zijn en slechts een advies aan de opdrachtgever (gebruik geen woorden zoals moeten, dienen en proberen).

Het slotgedeelte van een rapport
Bronnen-/literatuurlijst
Vernoem je bronnen consequent door het gehele rapport (APA). Ook informatie die je op het internet hebt gevonden, vermeld je in je rapport. Bij het samenstellen van een bronnenlijst zorg je ervoor dat:

  • je alleen bronnen vermeldt die je geraadpleegd hebt en die je in je rapport noemt.
  • correcte titelbeschrijvingen hanteert.
  • je bronnen op alfabetische volgorde zet.
  • je bronnen sorteert op type: boeken, internet, audiobestanden, et cetera.

Bijlagen
Maak duidelijk onderscheid tussen je scriptie en de bijlagen. Het gebruik van bijlagen is een goede manier om (kern)hoofdstukken bondig te houden. Bijlagen lenen zich uitstekend voor het weergeven van gedetailleerde informatie of bijvoorbeeld gebruikte vragenlijsten/interviews. Verwijs in je tekst naar de bijlagen en voorzie de bijlagen van een nummer, omschrijving en een paginanummer.

In je scriptie staan alleen de kernzaken. Veel documenten die je wel gebruikt hebt, maar die niet in je scriptie hoeven te staan, voeg je als bijlage toe. Wanneer documenten bijdragen aan jouw onderzoek neem je ze op in de bijlage, zodat men kan controleren hoe je onderzoek is uitgevoerd en waar het op is gebaseerd.
Veel voorkomende bijlageonderdelen zijn: interview(vragen), tabellen en analyses.

 

Taalgebruik

  • Wees consistent in je taalgebruik (schrijf niet de ene keer een woord met hoofdletter en de andere keer zonder).
  • Gebruik duidelijke en exacte formuleringen.
  • Wissel lange en korte zinnen af. Gebruik zo min mogelijk bijzinnen.
  • Gebruik de juiste spelling en grammatica (gebruik de spellingscontrole van Word, maar vaar daar niet blind op).
  • Maak gebruik van dubbele aanhalingstekens als je iemand citeert.
  • Zet iets wat je wilt benadrukken tussen enkele aanhalingstekens.
  • Als je een andere taal gebruikt, schrijf dat dan cursief.
  • Schrijf je iets cursief, dan hoeft het niet tussen aanhalingstekens.
  • Gebruik alleen hoofdletters aan het begin van een zin en bij namen.
  • Gebruik zoveel mogelijk actieve taal. Vermijd zullen/worden/gaan zo veel mogelijk.
  • Gebruik je afkortingen, benoem deze dan in eerste instantie.
  • Let op de indeling. Begin een nieuw hoofdstuk op een nieuwe pagina.
  • Gebruik komma’s tussen werkwoordsvormen, opsommingen, voor die/dat of bij een duidelijke pauze.
  • Let op de correcte lidwoorden (vooral bij samengestelde woorden) en verwijzingen (die, dat).
  • Gebruik bij opsommingen kleine letters, tenzij het om complete zinnen gaat (dit klopt niet volgens de spellingscontrole).

Plaats een reactie

U plaatst een reactie als gast

UA-41958947-1